
Leestijd: 4 minDoor Rozemarijn van der Stelt
Jarenlang kregen ongehuwde zwangeren te horen dat afstand doen het beste was voor hun kind. In werkelijkheid hadden veel van hen nauwelijks iets te kiezen. Zij stonden onder druk van familie, hulpverleners, instellingen en kerkelijke of religieuze instanties. Op donderdag 2 juli 2026 biedt de overheid excuses aan aan afstandsmoeders en afgestane kinderen. Daarmee komt er erkenning voor een geschiedenis die duizenden levens heeft getekend, maar is dat voldoende?
Tussen 1956 en 1984 zijn in Nederland naar schatting meer dan 15.000 kinderen afgestaan door zo'n 13.000 moeders. Het ging vaak om jonge, ongehuwde vrouwen en meisjes die hun kind afstonden voor adoptie, maar dat lang niet altijd uit vrije wil deden.
In die jaren waren de maatschappelijke en seksuele normen streng. Seks hoorde binnen het huwelijk en een zwangerschap daarbuiten werd gezien als een schande. Vrouwen die ongehuwd zwanger raakten, kregen vaak te maken met afkeuring uit hun omgeving. De druk om de zwangerschap zoveel mogelijk verborgen te houden, was groot.
Uit het rapport Schade door schande van de Commissie Onderzoek Binnenlandse Afstand en Adoptie, onder voorzitterschap van emeritus hoogleraar Micha de Winter, blijkt dat deze vrouwen terechtkwamen in een systeem waarin anderen veel invloed hadden op de beslissing of ze hun kind wilden houden of afstaan. Familie, hulpverleners, tehuizen, de Raad voor de Kinderbescherming en kerkelijke of religieuze instantiess speelden daarin een rol.
In diezelfde periode werd adoptie steeds vaker gezien als oplossing voor deze vrouwen. Met de Adoptiewet van 1956 kreeg binnenlandse adoptie een wettelijke basis. Officieel moest die wet het belang van het kind beschermen, maar in de praktijk groeide ook het idee dat afstand doen de logische uitkomst was voor ongehuwde moeders. Het ideaalbeeld van een kind in een ‘net’ gezin met getrouwde ouders woog daarbij vaak zwaarder dan de band tussen moeder en kind.
Veel ongehuwde vrouwen werden tijdens hun zwangerschap ondergebracht in tehuizen of moederhuizen, buiten het zicht van hun omgeving. Daar leefden zij in afzondering toe naar de bevalling. Uit getuigenissen blijkt dat moeders na de geboorte vaak weinig tot geen ruimte kregen om een band met hun kind op te bouwen. Vaak werden de baby's meteen bij de moeder weggehaald. Daardoor werd het afstaan van een baby door veel afstandsmoeders niet ervaren als een eigen keuze, maar als iets dat hun overkwam.
Voor de kinderen, vaak afstandskinderen genoemd, had dat vaak levenslange gevolgen. Veel afstandskinderen groeiden op met vragen over hun afkomst, identiteit en de reden waarom zij waren afgestaan. Sommigen voelden zich afgewezen, anderen liepen vast in de zoektocht naar hun biologische familie of kregen maar moeilijk toegang tot hun dossier. Ook het gebrek aan openheid over hun herkomst zorgde voor verdriet en verwarring.
Niet alleen afstandsmoeders en afstandskinderen werden geraakt door deze geschiedenis. Ook vaders, adoptieouders en andere familieleden kregen op verschillende manieren met de gevolgen van afstand en adoptie te maken.
De excuses die staatssecretaris Claudia van Bruggen op 2 juli 2026 namens het kabinet uitspreekt, zijn voor veel betrokkenen een historisch moment. Voor afstandsmoeders, afgestane kinderen en hun families is het een vorm van erkenning waar sommigen al tientallen jaren op wachten.
Die erkenning kwam niet vanzelf. Jarenlang voelden veel betrokkenen zich niet gehoord door overheid en instellingen. Pas door de aanhoudende inzet van afstandsmoeders, afstandskinderen, belangenorganisaties en juridische steun kwam er steeds meer aandacht voor deze geschiedenis. Organisaties als Stichting Verleden in Zicht en Stichting De Nederlandse Afstandsmoeder (DNA) speelden daarin een belangrijke rol.
Tegelijk benadrukken de stichtingen dat excuses alleen niet genoeg zijn. Erkenning moet volgens hen niet alleen uit woorden bestaan, maar ook uit concrete hulp. Denk aan betere toegang tot dossiers, meer openheid van instellingen en overheden en begeleiding bij de zoektocht naar biologische familie.
Ook vragen zij aandacht voor de psychische gevolgen van afstand en adoptie. Daarnaast pleiten ze voor ondersteuning bij DNA-onderzoek en blijvende aandacht voor deze geschiedenis in beleid en samenleving.
