
Leestijd: 11 minDoor Boudewijn Drechsler
Al op straat zie je dat er vandaag iets speciaals staat te gebeuren. Feestelijk uitgedoste mensen lopen richting het monumentale kerkgebouw van de Evangelische Broedergemeente (EBG) in hartje Den Haag. Het is de zondag voor 1 juli en hier wordt vandaag al een speciale kerkdienst gehouden om te vieren dat 163 jaar geleden de slavernij werd afgeschaft. Keti Koti, oftewel: verbroken ketenen.
De kerkgangers zijn grotendeels van Surinaamse afkomst en met name de dames springen in het oog door hun kleurrijke traditionele jurken, koto’s, met bijpassend gevouwen hoofddoeken, angisa’s. Veel mannen dragen kleurrijke hemden van Afrikaanse stoffen, met een Keti Koti-print, afgekleed met traditionele schouderdoek.
"Het gaat om hoe we er nadien mee omgegaan zijn en hoe dat doorwerkt"
Van buiten oogt de kerk bescheiden, maar binnen opent zich een ruime kerkzaal met aan de straatkant grote ramen tot aan het hoge plafond. Voor de gelegenheid hangen er Surinaamse vlaggen en versieringen waarin de groen-wit-rode vlag met gele ster verwerkt is. De hitte van de afgelopen dagen is nog niet weggewaaid en voor iedere bezoeker is er bij binnenkomst naast een ‘gezegende dienst’ dan ook een flesje water.
Vaste predikant hier is Folkert de Jong, niet van Surinaamse maar Friese komaf. Zijn vrouw echter komt uit het Oost-Afrikaanse Malawi en dat was een van de redenen om voor deze kerk te kiezen. "Ik wilde gewoon naar een kerk waar je jezelf kan zijn, zonder dat je wordt aangekeken en beoordeeld."
En dat is precies waar het volgens Folkert met Keti Koti ook om draait: niet alleen de afschaffing van de feitelijke slavernij, maar juist ook de strijd tegen alles waarin die slavernij nog doorwerkt, het hedendaags racisme. Hij licht toe: "Die trans-Atlantische slavernij was anders dan bijvoorbeeld de slavernij bij de Romeinen of in de middeleeuwen. Het was gebaseerd op racisme, het was een industrie waarin specifiek zwarte Afrikaanse mensen werden gedegradeerd tot handelswaar. Daaruit ontstonden na de afschaffing apartheidssystemen, zoals de Jim Crow-wetten in de Verenigde Staten. En dat werkt door tot aan de dag van vandaag."
Predikant Folkert de Jong
Deze zondag blijft hij daarom in de kerkbanken zitten: "Vandaag moet iemand voorgaan die uit eigen ervaring kan spreken. Ik kan dat niet, terwijl sommige kerkleden hier nog overgrootouders hebben gehad die in slavernij geboren zijn." Volgens Folkert gaat het er trouwens ook niet om hoeveel generaties het geleden is: "Het gaat om hoe we er nadien mee omgegaan zijn en hoe dat doorwerkt. We erkennen bijvoorbeeld allemaal de impact van de Holocaust op de generaties erna. Over de impact van slavernij zeggen we daarentegen: ‘We doen dat nu toch niet meer? We mogen juist trots zijn dat we het hebben afgeschaft. Dat soort geluiden hoor je. Dan heb je wel ballen hoor." Folkert benadrukt dat hij het ene leed niet met het andere wil vergelijken. "Dat hoeft ook helemaal niet. Ik heb het over de erkenning en de omgang ermee, dus wat er gedaan is voor de slachtoffers, en de impact die dat heeft op de generaties daarna."
Hij vervolgt: "Noem eens iets wat er is gedaan na de afschaffing van de slavernij. Oh ja, er zijn herstelbetalingen geweest aan de plantage-eigenaren ter compensatie van hun verloren ‘bezit’. En de ‘vrijen’ moesten nog tien jaar verplicht doorwerken voor hun voormalige eigenaren."
Een gemeentelid loopt naar voren met een djembé. Met een indringend ritme wordt de dienst geopend. Gastpredikant Waldo Idoe neemt daarna het woord en dan blijkt direct hoe dicht het slavernijverleden hier nog onder de oppervlakte zit. De bijbeltekst voor vandaag volgens het landelijke rooster van de EBG is Romeinen 12 vers 17 tot 21. 'Vergeld niemand kwaad met kwaad. Wees bedacht op wat goed is voor alle mensen. Leef, zo mogelijk, voor zover het van u afhangt, in vrede met alle mensen. Neem nooit wraak, geliefden, maar laat ruimte voor Gods toorn, want er staat geschreven: ‘Het is aan mij om wraak te nemen, ik zal vergelden, zegt de Heer.’ Maar ‘als uw vijand honger heeft, geef hem te eten, als hij dorst heeft, geef hem te drinken. Door dat te doen, stapelt u gloeiende kolen op zijn hoofd.’ Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede.
"In mijn jeugd in Suriname vierden we Keti Koti eigenlijk nooit zo uitbundig als hier"
Hij is even stil: "Je zou bijna denken dat het een complot is om het er maar niet over te hoeven hebben", zegt Idoe half grappend, maar met een duidelijke ondertoon. "Waarom stond bijvoorbeeld Psalm 137 niet op het rooster?" Dat is de Psalm waarin het volk van Israël in ballingschap aan de rivieren van Babylon zit en verlangt naar huis. Idoe doelt met name op vers 8: 'Gelukkig zijn de mensen die jou straffen, die met jou doen wat jij met ons hebt gedaan.' Hij heeft de aandacht.
Juist ook voor deze vraag is er, naast het vieren van de vrijheid, ruimte. Net als voor het verdriet en het lijden van de voorouders. Voor de frustratie over het hedendaags racisme. Verschillende gemeenteleden vullen de preek aan met een eigen bijdrage een lied of een gedicht. En juist de bezieling en beleving daarvan zorgen dat sommige woorden rechtstreeks binnenkomen, ook al zijn ze in het Sranantongo, het Surinaams.
Tussendoor zingt de hele gemeente uit volle borst. ‘Bun Gado Yu noiti e libi mi, makti wan Yu na mi Dresiman’; goede God, U verlaat mij nooit, Almachtige, U bent mijn Heelmeester.
En zo vliegt de tijd voorbij. Iets dat je van de meeste kerkdiensten niet kan zeggen. Maar wie denkt dat het daarmee klaar is, vergist zich. Eigenlijk begint het pas. De kerkleden wensen elkaar met een stevige brasa een fijne verdere zondag toe. En zoals elke week worden ook eerst nog de jarigen uitbundig in het zonnetje gezet. Omringd door gemeenteleden worden ze dansend toegezongen.
De koffie wordt klaargezet, koek en cakejes gaan rond en er wordt druk bijgepraat. Ook is er tijd om elkaars koto’s te bekijken en met elkaar op de foto te gaan. Een van de dames vertelt terloops: "In mijn jeugd in Suriname vierden we Keti Koti eigenlijk nooit zo uitbundig als hier." Dat er steeds meer gebeurt rond Keti Koti is een goede zaak vindt ze: "Maar een nationale feestdag zal het voorlopig wel niet worden. Dat wil de rest van Nederland niet. Terwijl het juist zo goed is om te herdenken. Kijk naar wat mensen elkaar nog steeds aandoen overal in de wereld."
"Je kon zwarte agenten toch niet de wet laten voorschrijven aan witte Nederlanders?"
Inmiddels bereiken de heerlijkste geuren vanuit de open keuken de kerkzaal. Er staat al een rij voor de heri heri, een traditioneel Surinaams gerecht dat traditioneel wordt gegeten tijdens Keti Koti.
Aan de tafels in de keuken zitten enkele gemeenteleden waaronder broer en zus Hedwig en Annette. Het gesprek begint luchtig; over dat leuke feestje laatst, tot wanneer ze weer op vakantie naar Suriname gaan.
Zowel Hedwig als Annette zijn met pensioen. Hedwig heeft zijn hele leven bij de politie gewerkt. En daarmee komt het gesprek vanzelf weer op huidskleur en racisme.
Hedwig was een van de drie eerste zwarte agenten van Nederland, en zelfs de allereerste zwarte motoragent. "De gemeente Den Haag was de eerste gemeente die zwarte agenten in dienst nam. Dat was in de jaren 60. Het landelijke korps verklaarde de gemeente Den Haag nog voor gek. Je kon zwarte agenten toch niet de wet laten voorschrijven aan witte Nederlanders?" Niet bepaald een bemoedigende start van je carrière. "Maar toen ik in die tijd eens op vakantie was in Parijs, zag ik dat zwarte agenten daar heel gewoon waren. Dat deed me goed om te zien. Nederland liep gewoon enorm achter."
En dat gelijkheid in Nederland slechts een papieren werkelijkheid was, merkte Hedwig zelf aan den lijve toen na vijf jaar zijn promotie naar brigadier eraan kwam. "Na vijf jaar werd iedereen bij de politie automatisch bevorderd tot brigadier. Althans, je moest acht jaren in de executieve dienst hebben gezeten, waaronder bij een specialistisch onderdeel. En je moest een brigadiersdiploma en je politiediploma’s Engels, Frans en Duits gehaald hebben." Hedwig voldeed aan al die eisen. "Maar terwijl ik al die jaren altijd goede beoordelingen had gehad, stond er nu opeens in mijn beoordeling dat men toch nog twijfels had. Verder niet uitgelegd of gemotiveerd." Hedwig pikte dit niet en nam de pen op voor een bezwaarschrift. Ik schreef drie kantjes vol en zei dat ze die maar mee moesten sturen naar de promotiecommissie." Na een weigering in eerste instantie werd het bezwaar toch doorgestuurd. Toen bleek vervolgens dat van de drie pagina’s net die pagina waarin hij zijn bezwaar toelichtte ontbrak. Pas nadat hij door de commissie flink door de mangel werd gehaald en nadat hij alsnog zijn bezwaren toelichtte, kon men niet anders dan hem ook gewoon brigadier maken.
"Ik probeer het langs me heen te laten gaan en dankzij mijn geloof hou ik dat vol"
Het zijn dit soort verhalen die steeds terugkomen en nog steeds herkenbaar zijn voor veel zwarte Nederlanders. Zijn zus komt er achteraan met haar verhaal. Zij werkte als lerares Nederlands op een middelbare school. Haar collega’s zorgden er achter haar rug om voor dat zij, als docent van Surinaamse afkomst, geen les mocht geven aan de examenklas. Ouders werden zelfs schriftelijk tegen haar opgezet. 'En zo heb ik in mijn carrière veel moeten strijden. Maar ik mag nu uitrusten; ik heb mijn pensioen en een vakantiehuisje in Suriname."
Bij de thermoskannen met koffie staat Ruben. Hij opende de dienst met de djembé. Opvallend was ook een gedicht in het Sranantongo dat zijn broer voordroeg en waaronder hij als een soort tegenstem de djembé speelde. Even leek iedereen meegenomen te worden naar het land waar hun voorouders leden, streden en een nieuw leven opbouwden. "Het is een oud gedicht over leed, strijd en vrijheid. Dat is wat we herdenken. Woensdag speel ik ook weer bij het slavernijmonument hier in Den Haag."
Zelf haalt Ruben veel kracht uit het vieren van Keti Koti, met name in de kerk. "Keti Koti is namelijk niet alleen de bevrijding van de slavernij maar ook de bevrijding van mezelf, van mijn verleden. En zonder God zou ik dat nooit kunnen." Hij licht dat toe: "Je moet altijd extra je best doen. Op mijn werk zijn sommige collega’s bijvoorbeeld heel vriendelijk als ze met mij alleen zijn en dan hoor ik ze vervolgens in de groep de meest racistische dingen roepen." Ruben heeft daar inmiddels mee om leren gaan. "Ik haal dan gewoon juist ook koffie voor hen. Dat verwachten ze niet en dat verwart ze." Alleen is het wel doodvermoeiend om zo je best te moeten doen, geeft hij toe. "Ik probeer het van me af te laten glijden en alleen door mijn geloof lukt me dat."

