
Leestijd: 12 minDoor Boudewijn Drechsler
Op 1 juli is het 163 jaar geleden dat in het Koninkrijk der Nederlanden de slavernij werd afgeschaft. Die dag wordt jaarlijks gevierd als Keti Koti, oftewel: verbroken ketenen. Hoewel er steeds meer aandacht voor is en het op sommige plekken uitbundig gevierd wordt, is het in ons land geen nationale feestdag. Best raar, vindt predikant Cynthia Haaswijk: "Het is niet alleen de geschiedenis van Suriname of de voormalige Nederlandse Antillen; het is de geschiedenis van ons allemaal!"
Cynthia Haaswijk is theoloog en predikant in opleiding. Zij maakt zich al jaren hard voor de bewustwording over hoe de slavernij nog steeds doorwerkt in onze huidige maatschappij en natuurlijk de levens van veel afro-Nederlanders. En hoewel ze het zelf voorlopig nog niet ziet gebeuren, zou ze het mooi vinden als we Keti Koti samen als een echte nationale feestdag zouden vieren. “We zijn nu toch ook met z'n allen in oranjestemming? Waarom zou je, als je samen iets kunt vieren, dat niet doen?” Met die positieve insteek lijkt dat slechts een retorische vraag. Maar zo simpel is het dus niet.
"De geschiedenis is nu eenmaal geen romantisch jongensboek"
'Men’ vindt daar meestal wel iets van, en 'men' uit dat niet altijd op een even genuanceerde manier. “Ik kan wel even een uitdraai maken van de reacties op mijn Facebook of Instagram.” Waarom dit zoveel oproept? Cynthia Haaswijk wil dat best voor ons uit de doeken doen, maar dan wel zonder er weer andere doekjes omheen te winden.
Voor veel Nederlanders roept alleen het woord slavernij of Keti Koti al irritatie op of wordt het weggezet als 'woke'. Slavernij is immers iets uit een ver verleden, net als de 80-jarige oorlog. Dat is niet meer op ons van toepassing. Maar dat snijdt bij Haaswijk geen hout. "Onlangs is de 350e sterfdag van Michiel de Ruyter nog uitgebreid herdacht. Dat is dezelfde periode. Waarom is dat niet te lang geleden? De slavernij vierde hoogtij in zijn tijd."
Waarom de keerzijde van die geschiedenis dan zoveel weerstand oproept? Haaswijk trekt gelijk de pleister er maar af: "Dat heeft te maken met het zelfbeeld van veel witte Nederlanders. Een superieur zelfbeeld, want zo is men opgevoed. Zodra je daaraan gaat morrelen, krijg je weerstand. En dus kunnen we het wel hebben over Michiel de Ruyter als held, maar niet over datgene wat hij en zijn tijdgenoten hebben gedaan ten koste van andere mensen."
Het is het gevolg van een gebrekkige educatie volgens Haaswijk: “De mensen die ik daar het hardst over hoor roepen, zijn de mensen met de minste educatie. Niet zo gek ook als je kijkt naar de gemiddelde geschiedenisboeken. Daarin gaat het nog steeds alleen over de Gouden Eeuw en mensen als de Ruyter als helden. Aan datgene wat ze ook veroorzaakt hebben en de gevolgen van hun daden, daar worden één, misschien twee pagina’s besteed en dan ook nog in voorzichtige bewoordingen. Maar de geschiedenis is nu eenmaal geen romantisch jongensboek.” En wat de slavernij betreft, ging dat boek pas in 1863, feitelijk 1873, dicht. Dus sommige ouderen kennen de verhalen nog uit de eerste hand van hun grootouders en overgrootouders.
Het ladingplan van het Franse slavenschip Marie Séraphique uit Nantes dat via Congo-Angola naar het Caribisch gebied voer in 1769-1770. Bron: Collectie van het Historisch Museum in Nantes.
"We mogen het niet over de consequenties hebben die wij nog dagelijks ervaren."
En waarom het zo belangrijk is om dat te erkennen, brengt Haaswijk bij een volgend heikel punt: dat de slavernij nog steeds doorwerkt in de huidige generaties. En vooral: dat wie dat zegt, nog altijd op de nodige weerstand kan rekenen. “Het volgende zeg ik even gechargeerd hoor, in ‘wij’ en ‘zij’, alleen om mijn punt duidelijk te maken. Namelijk: het idiote is dat ‘wij zwarte mensen’ de ‘witte mensen’ absoluut nooit het gevoel mogen geven dat ‘wij’ ook maar zouden denken dat ‘zij’ verantwoordelijk worden gehouden voor het slavernijverleden. Daar mag men niet eens aan hinten. Maar andersom wordt er wel van ‘ons zwarte mensen’ verwacht dat ‘wij’ maar even moeten accepteren dat dit nu eenmaal gebeurd is en dat we het er verder niet meer over moeten hebben. We mogen het niet over de consequenties hebben die wij nog dagelijks ervaren. We mogen niet zeggen hoeveel moeilijker het leven is met een andere huidskleur in Nederland of West-Europa. Daar moeten we het niet over hebben, want anders krijgen ‘zij’ het gevoel dat ‘wij’ ze persoonlijk verantwoordelijk houden. En dan denk ik: jongens, dat is toch de wereld op z’n kop?”
Schilderij van Michiel de Ruyter door Ferdinand Bol uit 1666
Het gaat Cynthia overigens niet om de schuldvraag: “Het gaat me erom dat we kritisch kijken naar dat zelfbeeld waarmee we opgevoed zijn. En dat we ons openstellen voor het verhaal van de ander. Dat je datgene wat de ander zegt en ervaart, serieus neemt.”
En volgens Haaswijk zal dan ook blijken dat het allemaal niet zo zwart-wit is als men denkt: “Het is bijvoorbeeld niet zo dat alle zwarte mensen alleen maar afstammen van tot slaaf gemaakten: beide werelden komen vaak, en steeds vaker, samen in één persoon. Sommige mensen noemen zo iemand een halfbloed, maar dat vind ik een raar woord. Ik heb het altijd over dubbelbloed: mensen met zowel een zwarte familie als een witte familie. Als zwart en wit tegenover elkaar worden gezet, hoe voelen zij zich dan? Zij kunnen geen keus maken tussen wat of wie ze zijn. Als je je daarvan bewust bent, dan zie je dat het letterlijk niet zo zwart-wit is.”
"Het zit in de mens om onderscheid te maken. Het is iets cultureels om aan een verschil een bepaalde waarde te hangen."
Toch ziet Haaswijk dat alleen al de huidskleur zelfs binnen een familie tot schrijnende situaties leidt: “Ik ken voorbeelden van kinderen die bij hun witte grootouders het achtergestelde kleinkind zijn, omdat de partner van hun kind dus een andere kleur heeft. En die worden als tweederangs behandeld. Die dramatische verhalen ken ik.”
De vraag is of dat racisme een gevolg van de slavernij is of iets is dat we als mens altijd al doen. “Ik denk dat het in de mens zit om onderscheid te maken. Dat het menseigen is om onderscheid te zien. Het is alleen iets cultureels om aan dat verschil, een bepaalde waarde te hangen. En daar komt ook de geschiedenis om de hoek kijken. Ons verleden bepaalt mede hoe we in het hier en nu naar dingen en mensen kijken en hoe we die waarderen en beoordelen.”
Daarom is juist bij het bestrijden van racisme een belangrijke rol voor de kerk weggelegd, zegt Haaswijk. “Omdat wij het in de kerk hebben over naastenliefde en over samen één lichaam zijn. Met Christus als het hoofd van dat lichaam. Dan is het vreemd als je gaat zeggen hoe dat lichaam eruit moet zien of dat het ene onderdeel belangrijker is dan het andere. Dat is niet aan ons."
"Nodig eens mensen uit in de kerk die er anders uitzien en die een andere ervaring hebben."
"Paulus spreekt in 1 Korintiërs 12 over het lichaam van Christus. ‘Een lichaam is een eenheid die uit vele delen bestaat; ondanks hun veelheid vormen al die delen samen één lichaam. Zo is het ook met het lichaam van Christus. Wij zijn allen gedoopt in één Geest en zijn daardoor één lichaam geworden; of we nu Joden of Grieken zijn, slaven of vrije mensen, we zijn allen van één Geest doordrenkt.’”
Ze vervolgt: “Een prachtige tekst, maar dan zie je ook de praktijk. Die is anders. Terwijl we in hetzelfde lichaam van Christus zitten. Dan kun je het heel goed hebben over je christelijke broeders en zusters met een andere huidskleur die gebukt gaan onder discriminatie en uitsluiting. Als kerk horen wij dat niet te tolereren.”
Wat de kerk concreet kan doen? “Ik kan me goed voorstellen dat wanneer je een geheel witte kerk bent in een witte omgeving, je niet zo snel geconfronteerd wordt met de nasleep van het koloniaal verleden. Een voorganger of dominee moet daarin dan de uitdaging aangaan. Nodig gewoon iemand uit die in een andere omgeving zit. Nodig mensen uit die er anders uitzien en die een andere ervaring hebben. Dan heb je al met 1-0 gewonnen want dan sta je ervoor open om te leren. Dan schiet je niet gelijk in de verdediging als je met de pijn en het verdriet van gediscrimineerde zusters en broeders geconfronteerd wordt.”
Tot slot: “Dus ja, het is mooi als Keti Koti een nationale feestdag wordt, maar het gaat om het bewustwordingsproces waar we met z'n allen doorheen moeten. En als we dat samen doen, is het minder pijnlijk en een stuk duurzamer.”

