
Leestijd: 4 min
De grond kussen, bepaalde sokken dragen of kauwgom kauwen: veel voetballers houden sterk vast aan bepaalde rituelen voordat ze aan een belangrijke wedstrijd beginnen. Waarom doen ze dat? En helpt het?
Misschien wel het meest bekende voorbeeld: topvoetballer Johan Cruijff speelde graag met nummer 14, omdat hij eerder succes had met dat nummer. Het nummer kreeg voor hem een bijzondere betekenis.
Maar wat hij ook deed: hij spuugde kauwgom op de helft van zijn tegenstander. Bij sommige voetballers kun je het zo gek niet bedenken. Ze eten babykoekjes voor een wedstrijd, maken hun schoenveter los en strikken deze weer of kussen vier keer hun ring.
Waarom doen sporters dat? Bijgeloof is voor sporters een manier om met onzekere situaties om te gaan, vertelt Paul van Lange, hoogleraar psychologie aan de Vrije Universiteit. "Gaan ze wel of niet goed presteren? Gaat hun team goed presteren? Die onzekerheid zorgt er vaak voor dat mensen van alles aangrijpen om zoveel mogelijk controle over de situatie te krijgen."
De één heeft meer vertrouwen in bijgelovige rituelen dan de ander. "Mensen klampen zich er vooral aan vast wanneer de onzekerheid groot is. Bijvoorbeeld bij een spannende wedstrijd", vertelt Van Lange.
Maar volledig controle krijgen bij voetbal kan niet omdat het geen individuele sport is, vertelt sportpsycholoog Wies Stevens. "Je hebt vooral controle over de modus waarin je zelf het veld op gaat. Dat wil je in een optimale spanningstoestand. Niet te veel en niet te weinig spanning. Een beetje spanning is goed, want dat zorgt voor adrenaline en focus. Rituelen kunnen helpen om in die focus te komen.”
Wanneer je dingen steeds op dezelfde manier doet, kosten ze ook minder energie omdat ze een gewoonte worden, zegt Stevens: "Daardoor verspil je zo min mogelijk energie vóór de wedstrijd, zodat je die tijdens de wedstrijd kunt gebruiken en meer energie overhoudt."
Wies Stevens
'Als sporter wil je niet te veel en ook niet te weinig spanning. Rituelen kunnen daarbij helpen.'
Over het algemeen hebben rituelen veel voordelen, zegt de sportpsycholoog. "Het kan helpen om wat lichamelijke spanning kwijt te raken of om nog even sociaal te zijn met anderen."
Wanneer je er té afhankelijk van wordt, kan het wel een nadeel worden. "Als je door omstandigheden je ritueel niet kunt uitvoeren, kan het zijn dat je denkt dat het niet goed gaat komen omdat je het ritueel hebt gemist. Dat is niet wensen. Je moet er dus niet te veel waarde aan hechten in de zin dat je zonder ritueel niet kunt presteren."
Er zit wel een groot verschil tussen iets simpels als de grond kussen en een kruisje slaan. Dat laatste komt namelijk voort uit geloofsovertuiging, vertelt Van Lange: "Veel mensen slaan een kruisje. Daarin kunnen gelovigen steun of betekenis vinden. Door veel mensen wordt het gezien als een ritueel dat voortkomt uit geloofsovertuiging, niet uit bijgeloof."
Dat is volgens Van Lange heel anders dan een ritueel waarbij je je sokken, kousen en schoenen in een bepaalde volgorde moet aantrekken. "Dat is veel persoonlijker en noemen we eerder een vorm van bijgeloof. Veel andere mensen zullen namelijk denken dat het geen verschil maakt. Daardoor wordt het eerder als bijgeloof beschouwd."
Culturen verschillen in bijgelovige rituelen die voorkomen. Tegelijk is het van alle tijden, vertelt Van Lange. "Mensen zijn er over het algemeen gevoelig voor, vooral wanneer de onzekerheid groot is."
Stel dat je opgroeit in een cultuur waarin meer dreigingen voorkomen, zoals natuurrampen: "In zulke situaties is de kans groter dat mensen rituelen ontwikkelen, soms zelfs als groep, om met die onzekerheden om te gaan."
Dit artikel is tot stand gekomen met dank aan Shaloom Pedro (Langs de lijn en omstreken).
