Leestijd: 4 minDoor Ilse Kwint
In de afgelopen jaren is er veel aandacht voor trauma’s bij jonge mensen, vooral onder de generatie Gen Z. Steeds meer mensen praten over stress, psychische klachten en zogenaamde jeugdtrauma’s. Maar stelt deze generatie zich niet aan?
Jeugdtrauma hier, burn-out daar: stellen we ons niet te veel aan met z'n allen? Of voornamelijk de Gen Z'er (geboren tussen ongeveer 1997 en 2012)? 'Vroeger had niemand hier last van' zeggen oudere generaties tegen de Gen Z'er, die lijkt te bezwijken onder alle druk uit de maatschappij. Ze moeten carriere maken, sportief zijn, hun sociale contacten onderhouden en proberen voor hun dertigste het huis uit te zijn met deze krappe woningmarkt. Daarbij komt nog kijken dat ongeveer de helft (!) kampt met depressieve gevoelens, angsten of een (jeugd)trauma.
Maar deze diagnoses: stellen we die niet te snel? Recent schreef hoogleraar stress en veerkracht Christiaan Vinkers in het Nederlands Dagblad dat er tegenwoordig té ruime interpretaties zijn van trauma. Hij vindt dat niet elk moeilijk moment in de jeugd meteen een trauma is. Niet elke strijd met opvoeding, sociale media of onzekerheid betekent dat iemand getraumatiseerd is. Vinkers benadrukt dat het belangrijk is om echte trauma’s serieus te nemen, maar ook om onderscheid te maken tussen problematische ervaringen en klinische trauma's als PTSS (posttraumatische stressstoornis). Als alles trauma heet, verliest het woord zijn betekenis, zoals dat zich nu lijkt voor te doen in de huidige samenleving.
Ook andere psychiaters en psychologen wijzen op het risico van medicalisering: normale emoties zoals verdriet, onzekerheid of spanning worden sneller gezien als stoornis. Dat kan jongeren het gevoel geven dat er iets fundamenteel mis is met hen, terwijl moeilijke gevoelens juist bij het leven horen.
Een van die psychiaters die wijst op het risico van medicalisering is Canadees Joel Paris. Hij schreef een boek waarin hij pleit voor terughoudendheid bij het diagnosticeren van psychische problemen.
In het boek schreef hij dat psychiatrie in de loop van de tijd steeds meer geneigd is om normale levensproblemen om te zetten in medische diagnoses. Volgens hem worden diagnoses vaak gemaakt op basis van lijsten met symptomen zonder objectieve biologische tests wat leidt tot vage grenzen tussen 'normaal' en 'ziek'.
Psychiatrische termen worden vaker gebruikt als 'labels voor leed', niet als echte ziekten. Hij schrijft zelfs dat psychiatrische diagnose vaak meer een taal is om te praten over ervaring dan een echte ziekte die 'objectief bewezen' is. De praktijk waarin patiënten in korte consulten worden beoordeeld, stimuleert het snelle toepassen van een diagnose in plaats van goed te luisteren naar wat er werkelijk speelt. Overdiagnose gaat vaak samen met overbehandeling, bijvoorbeeld medicatie toewijzen aan mensen met milde of normale reacties op stress of tegenslag.
Dus: zijn trauma’s onder Gen Z aanstelleritus? We lijken te snel labels te plakken op normale angsten of stress, wat onderdeel is van het dagelijks leven. Niet elke moeilijke jeugd, niet elke onzekerheid of het gevoel van prestatiedruk heeft te maken met trauma. Het gevaar zit aan twee kanten: problemen bagatelliseren zoals je vaak oudere generaties hoort doen ('stel je niet aan') én alles medicaliseren ('je hebt een stoornis'). De uitdaging voor deze generatie, maar ook voor hulpverleners, is om onderscheid te maken tussen gewone levenspijn en echte psychische aandoeningen.
